CRPS (Complex Regionaal Pijn Syndroom),dystrofie of posttraumatische dystrofie…

Posttraumatische dystrofie (CRPS)

Posttraumatische dystrofie, tegenwoordig officieel Complex Regionaal Pijnsyndroom (CRPS) genoemd, is een pijn- en herstelstoornis van het lichaam die meestal ontstaat na een letsel, zoals een breuk, verzwikking of operatie. Bij de meeste mensen herstelt het lichaam normaal van een wond of breuk, maar bij iemand met CRPS blijft het lichaam te actief reageren, alsof het letsel nog steeds aanwezig is.

Het zenuwstelsel, de bloedvaten en het afweersysteem blijven als het ware in een alarmstand staan, waardoor pijn blijft bestaan of zelfs erger wordt, ook al is het oorspronkelijke letsel al lang genezen.

CRPS is een verstoring van de communicatie tussen hersenen, zenuwen en weefsels. Er spelen drie belangrijke processen tegelijk. Ten eerste raken de zenuwen in het aangedane gebied overgevoelig. Ze sturen te veel pijnsignalen naar de hersenen, zelfs bij lichte prikkels zoals aanraking of temperatuurverschil. Dat noemen we sensitisatie: het zenuwstelsel is als een rookmelder die te snel afgaat. Hierdoor ontstaat pijn bij aanraken, een brandend of stekend gevoel en pijn die niet past bij de ernst van het letsel.

Daarnaast is er een verstoring van de bloedvaten en het autonome zenuwstelsel. Dit systeem regelt automatisch functies zoals hartslag, bloeddruk, temperatuur en zweten. Bij CRPS raakt dit systeem ontregeld. Soms trekken de bloedvaten te veel samen, waardoor de huid koud en bleek wordt. Soms staan ze juist te ver open, waardoor de huid warm en rood aanvoelt. Ook zwelling komt vaak voor. Het gevolg is dat kleurverschillen, temperatuurwisselingen, gevoelloosheid en stijfheid kunnen ontstaan.

Een derde proces vindt plaats in de hersenen. De hersenen maken als het ware een ‘kaart’ van het lichaam. Bij CRPS raakt deze kaart verstoord. Het aangedane lichaamsdeel wordt niet meer goed herkend of voelt vreemd aan. Sommige cliënten zeggen bijvoorbeeld dat hun hand niet meer als hun eigen hand voelt of dat de voet dikker aanvoelt dan hij werkelijk is. Dit kan leiden tot problemen met bewegen, coördinatie en controle over het lichaamsdeel.

Normaal gesproken nemen pijnsignalen af wanneer een wond geneest, maar bij CRPS gebeurt dat onvoldoende. De hersenen en zenuwen leren als het ware dat het gebied gevaarlijk is en blijven beschermen. Stress, angst om te bewegen en langdurige inactiviteit kunnen dit patroon versterken. De behandeling richt zich daarom op het opnieuw trainen van het zenuwstelsel, en niet alleen op het verminderen van pijn.

De rol van de bloedcirculatie is hierbij groot. Bij CRPS is niet alleen het zenuwstelsel ontregeld, maar ook de doorbloeding en de aansturing van de bloedvaten door het autonome zenuwstelsel. Normaal hoort het lichaam tijdelijk meer bloed naar het aangedane gebied te sturen om genezing mogelijk te maken, maar bij CRPS blijft dit systeem ontregeld en schakelt het niet goed terug naar normaal.

In het beginstadium staan de kleine bloedvaten vaak te ver open. Onder invloed van ontstekingsstoffen en een overactief zenuwstelsel komt er te veel bloed in het gebied, waardoor de huid rood, warm en gezwollen wordt. Cliënten geven in deze fase vaak aan dat hun hand gloeiend heet en dik aanvoelt. Er is dan wel meer doorbloeding dan normaal, maar de uitwisseling van zuurstof en voedingsstoffen verloopt niet optimaal door de zwelling en verhoogde druk.

Na verloop van tijd kunnen de bloedvaten juist te sterk samentrekken. Het autonome zenuwstelsel blijft signalen sturen om te beschermen of af te sluiten, alsof er nog steeds gevaar is. De huid voelt koud aan, de kleur wordt bleek of blauwachtig en de weefsels krijgen minder zuurstof, terwijl afvalstoffen minder goed worden afgevoerd. Cliënten herkennen dit vaak als een dood of ijskoud gevoel, alsof het bloed er niet goed doorheen stroomt. Dit leidt tot stijfheid, verkleuring en pijn, want zuurstoftekort veroorzaakt een brandend gevoel.

Ook in de kleinste haarvaatjes ontstaan verstoringen. Deze kleine bloedvaten openen en sluiten niet meer soepel, waardoor sommige plekken te veel bloed krijgen en andere te weinig. Onderzoek met warmtebeelden laat zien dat temperatuur en bloedstroom in het aangedane gebied sterk kunnen wisselen, soms zelfs binnen één dag. Dit verklaart waarom cliënten merken dat hun hand het ene moment warm is en even later ijskoud. Deze wisselende doorbloeding is een duidelijk teken dat het autonome zenuwstelsel uit balans is.

Een slechte doorbloeding betekent dat de weefsels minder zuurstof krijgen en dat afvalstoffen zich ophopen. Dit prikkelt de pijnzenuwen, waardoor cliënten vaak brandende pijn of tintelingen ervaren die erger worden bij kou, spanning of stress. Dit zijn allemaal factoren die de bloedvaten verder laten samentrekken. De zenuwen zelf hebben ook een goede doorbloeding nodig. Als de microcirculatie verstoord is, krijgen zij te weinig voeding en zuurstof, waardoor ze overgevoeliger worden en sneller signalen afgeven. Zo ontstaat een vicieuze cirkel: minder bloed zorgt voor meer prikkelbaarheid, wat meer pijn veroorzaakt, waardoor de bloedvaten zich opnieuw vernauwen.

Voor mij ligt hier een belangrijke taak. Beweging stimuleert de doorbloeding, omdat spieren die bewegen werken als een pomp en de aanvoer van zuurstof en de afvoer van vocht bevorderen. Te veel rust houdt de slechte doorbloeding juist in stand. Warmte en ontspanning kunnen ook helpen, omdat ze de bloedvaten ontspannen en de spanning in het zenuwstelsel verminderen. Dit kan met warme kompressen, een handbad of ademhalings- en ontspanningsoefeningen, maar altijd voorzichtig: te heet of te lang werkt juist tegen.

Zachte aanraking en desensitisatie helpen het zenuwstelsel wennen aan normale prikkels. Door herhaalde veilige aanraking leert het lichaam dat prikkels niet gevaarlijk zijn. Daardoor verbetert ook de autonome regulatie: de bloedvaten reageren rustiger, de huidtemperatuur wordt stabieler en de doorbloeding verbetert. Het is belangrijk dat aanraking pijnvrij en gecontroleerd gebeurt, want bij te harde of plotselinge prikkels schiet het systeem weer in de verdediging en trekken de bloedvaten samen.

Daarnaast is uitleg geven erg belangrijk. Cliënten leren dat stress, angst en spanning de bloedvaten vernauwen. Als zij begrijpen dat ontspanning letterlijk zorgt voor meer doorbloeding, kunnen zij actief oefenen met ademhaling, warmte en ontspanning. Het is belangrijk dat cliënten begrijpen dat hun pijn echt is, maar niet betekent dat er nog schade aanwezig is. Door kleine, veilige stappen te zetten kunnen zij hun zenuwstelsel leren dat het aangedane gebied weer vertrouwd en veilig is.

Ik richt me vooral op doorbloeding, het verminderen van overgevoeligheid en het geven van geruststelling. De belangrijkste doelen zijn het tot rust brengen van het zenuwstelsel door zachte aanraking en ontspanning, het stap voor stap opbouwen van beweging, het verminderen van angst voor pijn, het herstellen van lichaamsgevoel met spiegeloefeningen en visualisatie, en het stimuleren van functioneren in het dagelijks leven.

Hoe lang het herstel duurt verschilt per persoon. Sommige mensen herstellen binnen enkele maanden, bij anderen duurt het langer. Een vroege diagnose en een goed afgestemd behandelplan vergroten de kans op herstel.

In eenvoudige woorden kun je het cliënten zo uitleggen: in het aangedane lichaamsdeel werken de bloedvaten niet meer goed samen. Soms staan ze te ver open, soms te ver dicht, waardoor de doorbloeding wisselt. De huid wordt rood, warm, koud of blauw en de zenuwen worden gevoeliger. Door beweging, rustige aanraking en ontspanning leert het lichaam weer om de bloedvaten normaal te laten reageren. Zo verbetert de doorbloeding en neemt de pijn langzaam af.

Samenvattend is posttraumatische dystrofie of CRPS een ontregeling van het zenuwstelsel na een letsel, waardoor pijn en andere reacties blijven bestaan, ook al is het weefsel genezen. De behandeling richt zich op het opnieuw trainen van het zenuwstelsel, het herstellen van beweging en het verminderen van angst en overbescherming.

  1. Sympathisch zenuwstelsel (“actie”): versnelt de hartslag, vernauwt bloedvaten, verhoogt de bloeddruk.
  2. Parasympathisch zenuwstelsel (“rust”): vertraagt de hartslag, verwijdt bloedvaten, verlaagt de bloeddruk.

De bloedvaten beïnvloeden het autonome zenuwstelsel doordat er in hun wanden zintuigcellen zitten die veranderingen in het bloed meten. Baroreceptoren in de halsslagader en aortaboog meten de bloeddruk en sturen signalen naar de hersenstam. Bij een hoge bloeddruk wordt het parasympathisch zenuwstelsel geactiveerd, waardoor de hartslag daalt en de bloedvaten zich verwijden. Bij een lage bloeddruk gebeurt het omgekeerde en wordt het sympathisch zenuwstelsel actief, waardoor de hartslag stijgt en de bloedvaten vernauwen. Chemoreceptoren meten daarnaast het zuurstof- en koolstofdioxidegehalte van het bloed. Als er te weinig zuurstof is, stimuleren zij het sympathisch zenuwstelsel om de ademhaling en hartslag te verhogen. Op deze manier geven de bloedvaten voortdurend informatie door aan het autonome zenuwstelsel, dat vervolgens zorgt voor een stabiele bloedsomloop en een goed evenwicht in het lichaam.

Pain Medicine, Volume 11, Nummer 8, augustus 2010, pagina’s 1267–1273, https://doi.org/10.1111/j.1526-4637.2010.00914.x
PMCID: PMC6676230  PMID: 31056241
https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/16734515/

Tags: